Boezem


Ik kom thuis met volle boodschappentassen. Op de keukentafel zie ik een lege chipszak en een leeg drinkpakje liggen. Ik draai mijn hoofd richting de bank. Hé, er liggen twee tieners te socializen met hun mobiel. Als ik via de loopdeur de pakken sap in de garage zet, schop ik per ongeluk tegen het daar nog liggende tuingereedschap. Ik zucht eens diep. Manlief komt de keuken in om een kop thee in te schenken. Hij struikelt bijna over het draaglint van mijn nette tas. x@#! Wat een klere zooi is het hier! Waarom ruimt niemand eens iets op! Geïrriteerd draait hij zich om en loopt weg. De boodschappen staan in de kasten. Ik kijk de keuken en woonkamer rond. Tja, hij heeft wel gelijk. Er ligt overal iets. Gelukkig weet ik dat het bij de meeste vriendinnen het er niet anders aan toe gaat. Op het salontafeltje liggen: pennen, stapel papier, bak met hele walnoten. Op het aanrecht liggen: kookboeken, bonnetjes, spaarzegels en dergelijke. Na het avondeten worden de kinderen tot opruimen gemaand, manlief is het beu. Veel gemopper onderling, maar in een redelijke tijd ziet de benedenverdieping er weer redelijk uit. De kinderen zijn van mening dat wij, de volwassenen, ook moeten opruimen. Het ‘ja, maar ik was nog even bezig.’ wordt niet geaccepteerd. Ook pa en ma moeten aan de slag. Na een stormachtige opruimwoede ziet de woonkamer eruit om door een ringetje te halen. Het is heel makkelijk om naar elkaar te wijzen. ‘Die spullen zijn niet van mij.’ of ‘Ik heb het daar niet neergelegd.’ Of ‘Ik ga er zo mee verder.’ Het zijn allemaal excuses om maar niet te hoeven opruimen. Voordat we de ander beschuldigen zouden we onze hand vaker in eigen boezem moeten steken. En niet alleen met opruimen…