Moederdag


Ik ga een extra keer naar het verzorgingshuis waar mijn moeder, door haar Alzheimer, woont. Het is bijna Moederdag en ik wil haar met mijn bezoek extra verwennen. Ze hangt scheef in haar rolstoel met haar hoofd naar beneden. Haar ogen zijn dicht. Ik leg mijn frisse hand tegen haar wang. Ze opent haar ogen: ‘Mama?’.
‘Ik kom even kijken hoe het met je gaat.’
Ik pak met mijn hand, haar hand en wrijf met mijn duim over haar huid. Er verschijnt meer glans in haar ogen. Samen met de verzorgster trek ik haar jas aan. De warme stralen van de lentezon raken haar gezicht terwijl ik haar voortduw. Vanuit haar rolstoel prevelt ze een heel verhaal dat ik niet versta. ‘Hoor je me wel, Dor?’ zegt ze net luid genoeg. Dor is de afkorting van de naam van haar zus.
‘Ik kon je niet goed verstaan, wat is er?’
Ik zet de rolstoel naast een bankje op de rem. Zelf neem ik plaats op de hoek. Kunnen we toch naast elkaar zitten. Mama probeert haar verhaal te vertellen, maar ze komt er niet meer uit. Ze draait haar hoofd opzij en kijkt me voor mijn gevoel een tijd aan. Met mijn blik vertel ik haar blijkbaar mijn naam. Ze knippert met haar ogen.
‘Hé, Brech, ben jij hier ook?’
‘Hmm, gezellig hé? Genieten we saampjes van de zon.’
Ze glimlacht naar me. Ik glimlach terug. Als we terug zijn bij het tehuis drink ik nog een kopje koffie met haar. De aanwezigheid van haar dochter en het genot van een bakkie troost laten haar vandaag stralen. Zo maak ik er elke keer als ik haar bezoek er voor háár een Moederdag van.