Van ’t padje af


Mijn man en ik gaan na de koffie een stuk wandelen in het Dwaalpark. We besluiten de lange route te lopen. Voor de zekerheid nemen we een flesje water mee. Je zal maar dorst krijgen. Stap voor stap volgen we de paden en genieten van de kleurenpracht die de herfst met zich meebrengt. Als we over de dijk lopen vertraagt het tempo door het hobbelige pad en het lange gras. Wanneer we het Dwaalpark weer inlopen voel ik enige druk onder in mijn buik. Hoe ver zijn we al gevorderd? Ik heb geen idee of we al dicht bij de auto zijn. Ik negeer het gevoel en loop vrolijk verder. De route leidt ons naar een heus bospad. We horen zelfs de vogels kwetteren. Om de paar meter komen we wandelaars tegen die de route in tegengestelde richting lopen. Ik trek de kraag van mijn jas op, want ik heb kippenvel op mijn armen en hals. Met mijn jas dichter gaat het beter, alhoewel? Ik begin licht te zweten en heb buikpijn. De auto is nog steeds niet in zicht. Dit houd ik niet meer! Vlak na een bruggetje zie ik een zijpaadje. Met gevaar voor een geldboete of misschien méér dat anderen een groot bouwvakkers decolleté zien, ren ik bijna het paadje in. Manlief houdt de wacht, zegt hij. Hoe? Niet denken, maar doen! Snel maak ik mijn broek los en hurk. Niet veel later sta ik opgelucht weer op het hoofdpad. Twee meter voor ons lopen mensen met een hond, daar achter een stel met een kinderwagen. Ik recht mijn rug en loop hen tegemoet. Met een schuin oog kijk ik naar mijn lief. We moeten vreselijk lachen, maar houden ons gezicht in de plooi. Was ik toch bijna op heterdaad betrapt.